Over dolfijnen, maar vooral over andere dingen

Ik zie het zo. Je hebt verschillende soorten mensen.

A: De mensen die ergens goed in zijn en dat ook weten. Deze mensen beslissen dat ze al hun energie in dat ene ding gaan stoppen en die worden daar dan (no shit, sherlock) nog beter in. Deze mensen zijn awesome en doelgericht en wauw.

B: De mensen die iets WILLEN doen. Ze zijn er nog niet perse goed in, maar ze hebben een wonderlijke motivatie. Ze zorgen er, puur op wilskracht, voor dat ze in dat ene ding goed worden. Deze mensen zijn hoogst irritant en ook pretty awesome.

C: De mensen die hier allemaal niet zo mee bezig zijn. Laat die gerust, die willen gewoon naar Thuis kijken en content zijn. Vuistje. Goed bezig.

D: Ik.

Ik weet niet goed wat ik wil. Nog altijd niet. En ik ben niet ‘heel heel’ goed in iets. Vroeger had ik eerst onrealistische verwachtingen over mijn toekomst (dolfijnentemster*, jeugdboekenschrijfster, vrouw van Leonardo Di Caprio). En later, toen ik dacht dat ik al volwassen was, het idee dat ik het op een bepaald moment allemaal wel ging weten

Wel. Dat moment is nog niet gekomen. Ik heb gaandeweg wel ontdekt dat ik geen dokter ging worden (veel bloed en te veel emoties en nooit kunnen slapen door bezorgd zijn over alle zieke mensen). Ook geen astronaut, toptennisser of juffrouw (anekdote: wanneer ik vroeger speelde met mijn neefjes en nichtjes, allemaal jonger, wilde ik altijd schooltje spelen en de juffrouw zijn en testen doen. Ik maakte die dan zo moeilijk dat iedereen gebuisd was, dat vond ik leuk). Enfin, op een bepaald moment ben ik tot de conclusie gekomen dat ik niet door deductie te weten zou komen wat ik dan wel wil én kan. Daarvoor zijn er te veel levenspaden te bewandelen. En hoe ouder ik word, hoe meer opties ik ontdek.

Dat is dan ook mijn grootste twijfel: wat als ik nooit ga ontdekken wat mijn ‘ding’ is? Dat ik altijd zo’n beetje half en half ga zijn in vanalles. Niet slecht ofzo, maar ook niet uitzonderlijk goed. Niet noemenswaardig. Dat ik heel mijn leven rusteloos ga zijn en doelloos. Dat ik kansen zal aangrijpen, alleen omdat ik niet weet wat ik anders zou doen. Dat ik zal flippen elke keer wanneer iemand vraagt waar ik mezelf zie binnen tien jaar. (ALS IK DAT ZOU WETEN, ZOU IK HIER NIET ZITTEN, DAN ZAT IK MINSTENS BIJ OPRAH MIJN WIJSHEID TE VERKONDIGEN)

Dat wanneer ik oud en dement in mijn zetel in het rusthuis ga zitten, dat mensen dan niets over mij te zeggen zullen hebben. Of dat ze gaan zeggen dat ik een lieve ben (code voor volstrekt kleurloze talentloze mens). Niet dat dat realistisch is, ik ken mezelf. Ze gaan zeggen dat ik een farce ben. (voor de niet-Antwerpenaars: een felle, een ambetante, een die haar mond niet houdt).

Dus ik hoop op een van de twee volgende dingen:
– dat ik ‘het’ nog ga vinden (mijn ding, mijn talent, mijn levensdoel)
–  of nog beter, dat ik het niet meer erg ga vinden om geen ding te hebben. Enfin, dat ik verschuif naar menstype C eigenlijk. Ik hoop het. En ik zweer het, vanaf dan ga ik ook naar Thuis kijken.

*Temster hè, niet trainster. Kleine Sara was niet bezig met politiek correct zijn. Ik ging dolfijnen niet ‘trainen’, ik ging ze temmen, verdomme.

*Trouwens, hoe zot is het volgende? Die vrouw met die dolfijn? Ik ben dat niet. Dat is mijn dolfijnentemsterlookalike Kelly. Dag Kelly Deatrick from the USA!

Eén reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*
*
Website