Ik ben toch niet gek, of wel? (guestpost)

40 dagen zonder twijfel wordt voor even maatschappelijk én mannelijk.

Wouter (EEN MAN!) twijfelt. Vroeger twijfelde hij nooit. Niet aan zichzelf. Niet aan de wereld. Niet aan de manier waarop wij allemaal samen mensen in hokjes duwen. Nu twijfelt hij vaak. Meer gaan we niet verklappen.

 

Het was een warme zomerdag ergens begin jaren nul. Ik moet toen een jaar of vijftien geweest zijn en die dag zat ik op de bus. Waar ik vandaan kwam en waar ik precies heen ging, weet ik niet meer, maar dat doet er ook niet toe. Wat er mij is bijgebleven aan die busrit is het volgende. Op de route van die bus zouden we op een gegeven moment een psychiatrische instelling passeren. Ik wist dit omdat mijn moeder, een verpleegster, daar ooit gewerkt had.

Dat gekkenhuis naderend, probeerde ik me voor te stellen hoe het daarbinnen zou zijn. Ik stelde me hysterische mensen voor in een dwangbuis, opgesloten in witte kamers zonder meubels en met matrassen als wand en vloer. Ik stelde me een uitgemergelde man voor in lichtblauwe pyjama en teenslippers, die tegen een kapstok urenlange tirades voerde over De Illuminati. Er zou ook een verward oud vrouwtje rondlopen met purper haar en met lange, vergeelde nagels en veel te dik aangebrachte rode lipstick. Zij zou dag in dag uit, aan iedereen die ze tegenkwam, met paniekerige stem vragen of ze haar kat toevallig gezien hadden. Haar kat die ondertussen al vijfentwintig jaar dood en begraven zou zijn. Kwade, strenge verpleegsters in witte schorten en kapjes met een rood kruisje op het hoofd. Felrode en felblauwe pilletjes in papieren cupjes. Heen en weer wiegende mensen die af en toe heel luid roepen dat de stemmen in hun hoofd hen gerust moeten laten. En natuurlijk zou er ook een twee meter lange indiaan rondlopen die al tien jaar geen woord had gezegd.

Mijn bus kwam tot stilstand aan een halte vlak voor het gesticht. Ik zag een oud, bakstenen gebouw dat veel weg had van een gevangenis. Op het terrein daarrond waren verschillende paviljoentjes in jaren ’70 stijl opgetrokken. Ik plakte met mijn gezicht tegen het raam in de hoop vanuit de bus een paar echte zotten te kunnen spotten.Ik voelde me precies op safari. Na een paar seconden had ik al prijs. Net achter de heg die het einde van de normale wereld en het begin van de krankzinnige wereld aanduidde, stond een levend exemplaar! Het was helemaal alleen, waarschijnlijk afgezonderd van de kudde, die elders naar fel rode en blauwe pilletjes aan het zoeken waren. Het was een man van rond de dertig, schat ik. Hij was zeer mager. Zijn bleke, ingevallen gezicht en de donkere wallen onder zijn ogen maakten dat hij er heel ziek uit zag. Hij had een versleten lederen jas aan en een jeans die minstens 5 maten te groot was. Hij was een sigaret aan het rollen en ik merkte op hoe hard zijn handen beefden.

Ik vroeg me af wat er mis was met die kerel. Zijn ogen straalden enkel leegte uit en ik vond hem er een beetje gevaarlijk uit zien. De man kwam ongetwijfeld uit een marginaal milieu, met een verleden van middelenmisbruik. Ik zou mijn geld inzetten op cocaïne, neen, heroïne. De zelfrol-sigaret stak hij slap tussen de lippen. Plots keek hij op. Zijn apathische ogen staarden recht in de mijne. Ik schrok verschrikkelijk en voelde me betrapt. Normaal gesproken, als zoiets gebeurt, zou ik onmiddellijk wegkijken en doen alsof ik heel intensief met iets anders bezig was, maar ik bleef gewoon terug staren. Tenslotte, ik was op safari en ik was hier om loslopend wild te spotten. Die gestoorde kon me niks maken want ik zat veilig achter glas in een bus die meteen zou wegrijden. Die man zou me nooit meer zien. De bus kwam terug in beweging en we reden stilaan weg.

Dat ene moment van jaren terug schiet me nu plots te binnen. Ik sta buiten en steek een sigaret op. Het is een prefab sigaret van het merk Marlboro, een vermeldenswaardig detail. Een steenworp verwijderd van mij passeert er een bus. Achter een raampje ergens midden in die bus zit een jong, blond ventje van een jaar of tien. Hij ziet er een beetje kneuterig uit en doet me denken aan Kevin van Home Alone. Kevin staart een beetje verwonderd en met zijn mond half open mijn richting uit. Mijn ogen kruisen de zijne. Betrapt! Hij draait niet weg maar blijft kijken, mond nog iets meer open. Met middelvinger en duim katapulteer ik mijn sigaret richting bus en ik hou mijn middelvinger een paar seconden in de lucht. Fuck you, Kevin. Gooi anders wat apenootjes en trek een foto. Kevin lijkt geschrokken en kijkt vlug de andere kant op. Ik wandel terug naar binnen. Ik zet me in de leefruimte neer aan een grote tafel, bij enkele van mijn collega-gestoorden. Deze ruimte is best wel een gevaarlijke plek want de muren en de vloer zijn gemaakt van steen en beton. Geen matrassen. Aan tafel hebben ze het over de polarisering van de Vlaamse politiek. Eentje onder hen, een advocaat, is een appel aan het schillen, geheel zelfstandig. Hij doet dit met een echt mes, gemaakt van echt metaal!

Een jong, mooi verpleegstertje komt naar me toe en vraagt hoe het met me gaat. Ze heeft geen strakke, witte schort aan, echt jammer, en ze draagt ook geen hoedje met rood kruisje op. Ze draagt normale kledij. Een buitenstaander zou het verschil tussen patiënt en zorgverlener moeilijk kunnen inschatten. Straks bij het buitengaan, krijg ik mijn pilletjes mee. Die zal ik later, zonder controle op correct gebruik, innemen. Ze zitten in een klein plastic zakje en niet in een papieren cupje, maar enkele ervan zijn wel fel rood. Ik kijk even genietend hoe het lieve verpleegstertje de kamer uitloopt en draai me terug om.

Ik denk nog even terug aan die dag op de bus. Ik probeer me de rest van de busrit opnieuw voor te stellen. Het lukt niet. Het lukt me wel die ‘heroïneverslaafde junkie’ met ingevallen gezicht en versleten lederen jas voor te stellen. Niet moeilijk overigens. Ik zie hem nu elke dag. Ik zie hem wanneer ik mijn handen was en voor de spiegel sta in de toiletten. De muren ervan zijn bekleed met lelijke, bruine, 70’s style tegels. Ik zie hem in de reflectie van de vele ramen in de leefruimte en ik zie hem wanneer ik mezelf na een therapie sessie een koffie uitschenk en in mijn kopje naar de de donkere weerspiegeling staar. Wat zou Kevin over me denken? Ben ik voor hem een junk of eerder een gevaarlijke schizofreen? Hoe zou het met Kevin zijn over tien jaar? Soit, terug naar het hier en nu.

Ik zet me aan een klein tafeltje en speel voor de derde keer vandaag een spelletje schaak met mijn beste vriend op de afdeling. Hij wint bijna altijd van mij, maar dat vind ik niet zo erg. Die reus van een indiaan schept daar toch nooit over op.

eacties

Laat een reactie achter bij Niels Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*
*
Website